...Nadat ze hun jongensdroom van piloot, brandweerman of troubadour aan de haak hadden gehangen, werden vijf mannen – los van elke zekerheid – dichter.

Dat was een goedkoop idee, want met potlood en papier ging je al een heel eind ver.    Ze noemden zich ‘Stuifmeel’, want ze waren graag mannelijk en ze stuifmeelden er maar op los.  Alleen stampers werden geweerd als kiespijn.  In hun poëzie zwegen ze heel wat dood en brachten nog meer tot leven, want poëzie is schrappen.  Met shows, geïllustreerde dichtbundels en poëziewedstrijden bewogen ze zich, ‘extra muros’.    Ze overgoten hun zomerzotheid met een paar duvels en zochten naar vormen voor hun niet – te – bestuiven passies. Op dat moment had er waarschijnlijk maar één het laatste woord, want er werd een voorzichtig stampertje op de dichterlijke rooster gelegd. Na een korte tijd noemde de toen al zieke voorzitter haar een vrouw – met – pit.

De medestuifmelers hadden iets over gedrevenheid en werken gehoord. Meer was er niet nodig om zelfs als stamper voorzitter te worden.  

Een poëziewedstrijd bracht een tweede dichteres tot leven en samen kregen ze de permissie om ook na de bloeitijd tot vrucht uit te groeien. Stuifmelers zijn één in verscheidenheid. Stromingen gaan aan hen voorbij.

Alles wat op hun weg ligt, kan op een humoristische, romantische of realistische wijze in een gedicht terechtkomen.

Ze zijn mekaars eindpunt en mekaars beginpunt. Ze lossen mekaar op en vullen mekaar ook weer aan – met de kracht van het woord en van muziek – bij ’t vuur in Renés authentiek cafeetje.

Stuifmelers leven vooral van de voldoening van ’t schrijven en van ’t plezier geschreven te hebben, te bestuiven en bestoven te worden en te weten dat ze ‘zijn’ omdat poëzie ‘is’.

 ‘k Wens jou, lezer, veel poëtisch leesgenot.

Gilberte Aerts   Voorzitter kunstcollectief Stuifmeel

    startpagina